Tante Suus: chauffeur
Niet om arrogant te doen, maar ik kan best veel dingen. Zonder veel moeite haalde ik mijn VWO-examen. Ondertussen stond ik vier keer per week op het sportveld. Ik heb diploma’s van HBO en universiteit. Skieën, snowboarden: ik hoefde nooit achteraan in het klasje. Maar er is een ding waar ik absoluut geen talent voor bleek te hebben: autorijden.
Ik hoefde nooit zo nodig mijn rijbewijs. Toen ik zestien was, had mijn bijdehante zusje eens de deal met mijn ouders gemaakt dat ze onze rijlessen zouden betalen als we niet zouden gaan roken. Toen stond ik allang met een pakje Luckies achter het fietsenhok. Jaren later kreeg ik een aardige erfenis en zou het er toch maar eens van moeten komen. Ik sprak een proefles af bij een grote rijschool. Toen kon ik nog niet bevroeden wat een lijdensweg ik ingeslagen was.
Mijn eerste instructeur heette Patrick, een bleke slungel met een passie voor FC Utrecht en stijldansen. Toen ik na dertig lessen moest afrijden, was hij ziek. Zijn vervanger moest me erop wijzen dat ik beter wel de straten in kon kijken waar ik keurig met vijftig kilometer per uur langs reed. Gezakt dus.
In het jaar daarna versleet ik nog vijf instructeurs. Natuurlijk lag het niet allemaal aan hen. Vierentwintig jaar lang was is bijrijder geweest. Stiekem had ik nog steeds ontzag voor chauffeurs: die hadden een uniform aan, of waren toch minstens iemand zijn vader. In een auto gaan zitten stond voor mij gelijk aan een bus of treincoupe: lekker achterover hangen en het landschap aan je voorbij zien trekken. Die neiging had ik nog steeds als ik zelf moest gaan rijden. Zware literatuur, uren achter mijn scriptie zitten: ik kon me er tien keer beter op concentreren dan de rotonde driekwart en de korte invoegstrook.
Toen ik voor de derde keer gezakt was, zat ik met mijn zonnebril op in de bus terug van het CBR. Erachter stroomden de tranen. Stik er maar in met je auto’s, dacht ik. Ik laat me de rest van mijn leven wel rijden.
Dat ik nu toch met een roze kaartje in mijn portemonnee rondloop, dank ik aan Harry. Hij werd me aangeraden door een collega. Een oude baas met eindeloos geduld. Als het warmer dan 25 graden was reden we niet, dan zat hij liever met een biertje op het terras. Maar hij wist hoe hij dit wanhopige geval aan moest pakken. Hij legde uit waarom je op welk moment het stuur moet draaien bij het fileparkeren. En het belangrijkst: hij liet me inzien dat autorijden een manier is om van A naar B te komen, in plaats van een aaneenschakeling van testmomenten. De dag van mijn vierde rijexamen kon ik bijna niet op mijn benen staan van de zenuwen. Maar terug op het CBR zei de examinator dat ik ‘best heel aardig’ reed. En toen ik na de laatste wintersport de auto met skibox de Alpen uit stuurde en al mijn passagiers vredig in slaap vielen, vond ik dat ook best wel.













