Jet Berkhout: Van een moeder, een tram en een kind
Over vele jaren moet Je Moeder eraan geloven. Dan is Je Moeder, oud, saggy, dement, in de war en superschattig tegelijk. Er moet voor haar gezorgd worden. Zelf kan ze het niet meer. Supergefrustreerd over dit verlies van controle zal zij de thuiszorg terroriseren. Jet Berkhout heeft dit aan den lijve ondervonden. Niet met Je Moeder, maar wel toen zij ging werken in de thuiszorg. Ze vertelde haar avonturen in de NRC en schreef er het boek, ‘De Thuishulp’, over. Jet is een grote aanwinst voor de Nederlandse literatuur en schreef speciaal voor Je Moeder een column. Enjoy.
Van een moeder, een tram en een kind
Het lijkt een wedstrijdje. In de binnenbaan dendert de tram, in de buitenbaan, iets trager, ga ik op mijn fiets. Tussen ons in, midden op de weg waar op dat moment geen auto’s rijden, holt een moeder met een peuter aan de hand. Het kind heeft korte beentjes en hoewel hij zijn best doet, trekt de moeder zo hard aan zijn arm, dat hij nauwelijks meer stappen kan maken. De tram passeert ons en komt in de verte tot stilstand. Als ik de moeder inhaal, hoor ik haar tegen het jongetje hijgen: ‘rennen’. Het klinkt vermanend. Maar nog vlugger en hij zal met zijn benen gaan slepen. Ik overweeg of het handiger is hem op te tillen. Dan moet de moeder weliswaar meer gewicht dragen, maar kan ze wel vlugger rennen. Maar misschien kost het afremmen en optillen meer tijd dan dit gesjor.
Verderop zie ik de laatste persoon de tram instappen. Het duurt nu niet lang meer voor de deuren sluiten. Ik vertraag mijn tempo.
Vorige week ging ik ook langzamer fietsen om de afloop te zien van een hollende passagier. Toen het meisje de tram had bereikt, drukte ze driftig op het knopje, klopte op de ramen. Maar de deuren gingen niet meer open. De tram bleef nog een tijdje stilstaan, omdat het tramsein op rood stond. De wanhoop waarmee het meisje haar armen in de lucht wierp en haar gezicht ongelovig schudde, moest de conducteur hebben gezien. Toch bracht hij traag de tram in beweging, alsof hij haar wilde treiteren. Misschien ligt het aan het beveiligingssysteem, dacht ik. Dat als de deuren eenmaal dicht zijn, ze niet meer open kunnen. Maar ik zag in het voorbijgaan hoe de conucteur stoïcijns zijn gezicht had afgewend van het meisje.
‘Kom nou!’ De moeder moet nog vijf meter naar de achterste tramdeur. De voorste deur is al dicht. Met haar vrije arm begint de moeder te zwaaien. ‘Kom!’ roept ze nog eens tegen het jongetje.
Als ze de tram missen, krijgt dat kind natuurlijk de volle laag. ‘Ik zei toch: rennen?’ Tien minuten tot de volgende tram komt. Tien minuten om uit te hijgen op de verlaten halte. Tien minuten de tijd om te verwijten, het zweet te voelen afkoelen. Zwijgend naar voorbijrijdende taxi’s te kijken. Zijn beentjes doen pijn, en in zijn buik ligt een steen. Maar het jongetje durft niets te zeggen. Hij is bang voor de vertrokken grimas met zweetdruppeltjes op zijn moeders voorhoofd. Later herinnert hij zich dit moment. Hij wilde wel harder, maar hij kon niet harder. Hij en zijn langzame lijfje waren niet goed genoeg voor zijn moeder. ‘Mijn moeder nam mij kwalijk dat ik überhaupt bestond’, zegt hij tegen zijn psychiater.
Ik fiets inmiddels stapvoets. Moet mijn nek verdraaien. De achterste deur sluit zich vlak voor de moeder arriveert. De conducteur is nog in gesprek met een passagier. Ik kijk hoe de moeder op het knopje van de achterste deuren drukt. Dezelfde drift als bij het meisje destijds.
Achter me wordt gebeld. ‘Sorry’, zeg ik en stuur mijn fiets op de stoep, zet mijn voet neer voor evenwicht. Vlug kijk ik achterom. Roerloos staan alledrie stil: tram, moeder en kind.
Juist als de moeder zich over haar peuter buigt en een kus op zijn hoofd drukt, schuiven de deuren open.













